In 2000 verscheen het boek van Eef Arnolds, ‘Weg van de Natuur’ met als ondertitel ‘leidraad voor natuurbeleving en natuurbeschouwing’. De onderwerpen die in dit boek worden behandeld zullen dit jaar de rode draad vormen gedurende de zomerweek van Aardewerk. De titel kan op verschillende manieren worden geduid: als de steeds groeiende vervreemding tussen mens en natuur, de levensweg die we desondanks in harmonie met de natuur kunnen bewandelen en als liefde voor de natuur, wèg zijn van de natuur. Die drie kanten komen in de zomerweek allemaal aan de orde.
We zullen ons bezinnen op de vraag wat natuur eigenlijk is en welke invloed mensen daarop uitoefenen om haar te vormen en te veranderen zodat zij beter aan onze behoeften voldoet. Vormen natuur en cultuur daarbij tegenstellingen of kunnen we beide met elkaar in harmonie brengen? We zullen gedurende wandelingen in de omgeving zelf ervaren hoe deze interacties in het landschap gestalte krijgen en welke keuzemogelijkheden we daarbij hebben.
De waardering van natuur hangt niet alleen af van de hoeveelheid tijd die we buiten doorbrengen, maar vooral ook van de aard van onze natuurbeleving, de intensiteit van onze ervaringen. De beleving van natuur kan sterk variëren: Sommigen negeren bewust of onbewust de natuur, anderen kennen een puur rationele benadering als bron voor gewin. Weer anderen ervaren natuur als een decor voor lichamelijke activiteit als wandelen en sport, als onderwerp van studie, als bron van schoonheid en genot dan wel als partner in spirituele of religieuze verbondenheid. We zullen proberen onze natuurervaring te verdiepen en daarbij al onze zintuigen in te schakelen, onder andere door waarnemingsoefeningen.
We zijn het ons vaak niet bewust, maar door ons lichamelijk bestaan als mensen zijn wij aangewezen op het onttrekken van voedsel, drinken en energie aan de Aarde. Voor het verwerken van ons afval zijn we evenzeer afhankelijk van andere levende wezens. We maken volledig deel uit van het ecologisch netwerk op deze planeet, ook als we in een betonnen stad wonen, ver weg van groene ruimtes. Daarmee zijn wij per definitie ook concurrenten van andere bewoners van deze planeet, zowel planten als dieren. Een centrale vraag die hieruit voorkomt is hoe ver wij als mensen mogen gaan in de exploitatie van de natuur. Hebben wij het alleenrecht van de sterkste of moeten wij rekening houden met het lot van ander leven? En als wij voor dat laatste kiezen, is dat dan uit rationeel eigen belang om onze toekomstige welvaart te waarborgen, omdat we graag in een mooie wereld leven, uit compassie met ander leven of omdat we dieren en planten als gelijkwaardige partners beschouwen in het avontuur van het leven?